Maar… Sabah heeft natuurlijk veel en veel meer te bieden dan alleen goddelijk duiken. Wat wil je ook, op een eiland waar het, het hele jaar door tussen de 30 en 40 graden is, bomvol met beesten zit, en waar de ‘beschaving’ (bebouwing, wegen, auto’s, vervuiling, ontbossing) alleen nog maar geland is in de kuststreken. Na het duiken staat een bezoek aan de machtige Sungau Kinabatangan op onze wishlist. Deze grootste rivier van Sabah stroomt vanuit de binnenlanden van Maleisisch Borneo naar de kust, door een waar walhalla aan jungle. Echt mijn ding dus, waar wachten we nog op??!!
Nou, op een taxi. Trouw de Lonely Planet volgend laten we ons uit de bus zetten op een kruising waar het volgens de Lonely Planet (vanaf nu Lying Planet) wemelt van de taxi’s om je naar de rivier te brengen, zo’n 40 km verderop. Yeah right, misschien overdag, maar toch niet om 7 uur ‘s avonds. Staan we dan, all by our lonesome, terwijl het donker wordt en de onweersbui steeds dichterbij komt. Liften dan maar. Uit de eerste paar auto’s wordt alleen maar vrolijk teruggezwaaid naar onze opgestoken duim (Snappen ze ‘t nou niet, of lachen ze ons uit??!!), maar uiteindelijk stopt uitgerekend de kleinste auto die we in het afgelopen uur voorbij hebben zien komen, en kunnen we mee. Voorlopig niet meer zeuren over beperkte beenruimte in het vliegtuig, kan met m’n knieschijven achter m’n oren krabben. Na een enerverende rit - en een gezond stukje lomeru’n (lopen met rugzak) door de tropische avondlucht - komen we toch op onze bestemming aan. En kan de speurtocht naar de wilde Urang Utans beginnen. ‘s Ochtends en ‘s avonds met een boot de rivier op, op zoek naar apen, en dan bij voorkeur een Urang Utan. Veel hebben we gezien, makaken, neusapen (ook wel Dutch monkeys genoemd), maar lang blijft de Wild Man of the Jungle uit. Nadat we drie keer naar ‘iets bruins in de bomen’ zijn gevaren (en het dorre bladeren blijken te zijn…) heeft Joyce dan toch beet. Boven in een boom is een Urang Utan bezig zijn nest te maken, wat een fantastisch gezicht om onze verre voorouder hier in het wild te zien!!!!! Natuurlijk gaan we ze later ook nog bekijken in het rehabilitatiecentrum, maar hier, in het wild, da’s toch wel de kers op de appelmoes, voor de Van-der-Valk ingewijden onder ons.
Onze lodge is echt geweldig, we besluiten nog ’n dag langer te blijven dan gepland. Gewoon een simpele (maar wel grote) houten hut, met een uitzicht waar je u tegen zegt. Vanuit ons (heerlijke) bed kijken we zo de jungle in, echt fantastisch! Dit is genieten met een hoofdletter G!
Lang hebben we erover nagedacht, zullen we het doen, zullen we het niet doen, maar uiteindelijk gebeurt het toch: we gaan Mount Kinabalu beklimmen, de hoogste berg van Zuidoost Azië. Samen met een Engels stel, dat we ontmoeten in Kota Kinabalu, vallen we de berg aan. Over de beklimming doe je in totaal 2 dagen. Dat wil zeggen, 1 dag, en ‘n hele lange ochtend. De eerste dag gaat nog wel, is eigenlijk alleen maar domweg berg op klimmen. Is wel zwaar, maar te doen. Nee, viel best wel mee. ‘t Venijn zat ‘m in het laatste stuk. Om 0130 gaat de wekker, en na een vroeg ontbijt (of laat diner…) beginnen we aan de laatste 1800 hoogtemeters. Dat er best wel ‘sportieve stukken’ tussen zitten, blijkt wel uit ‘t feit dat er touwen hangen om je op sommige plekken de berg op te trekken. In het donker, in de wind (de beschutting van het bos hebben we al lang achter ons gelaten) klauteren we stap voor stap het graniet op. De laatste 100m naar de top zijn flink steil, maar gelukkig genoeg grote rotsblokken om veilig boven te komen. En daar sta je dan, te wachten op de zonsopkomst. Die nog zo’n 1 ½ uur op zich laat wachten.. En koud!!! Sta je verdorie bijna op de evenaar, waai je nog uit je jasje. Temperatuur rond het vriespunt, doe normaal!!!!
Als na 1 ½ uur rillen de zon zijn opwachting maakt, en we kunnen genieten van een ontwakend Borneo, is alles weer vergeten. Zo’n schitterende zonsopkomst hebben we nog nooit gezien!! De kou is weer vergeten, de spierpijn voelen we niet meer (klopt ook, die komt later pas…), en voor ‘t gemak vergeten we ook dat we nog ff naar beneden moeten.
O ja, de afdaling, helemaal vergeten. Moesten we ook nog doen. Iedere meter die we de afgelopen twee dagen geklommen zijn, moeten we nu ook weer af. 2200m in totaal. En ja, da’s een stuk vervelender dan klimmen. René krijgt serieus last van een overbelast humeur! Als eersten van de lichting van die dag komen we beneden, en gaan we terug naar ons hostel in Kota Kinabalu, waar we voor het laatst genieten verser dan verse vis, krabben, kreeften, en ga zo maar door. Morgen vliegen we naar Kuching, de hoofdstad van Sarawak, de zuidelijke provincie van Maleisisch Borneo. Op het vliegveld halen we onze auto op, en gaan we 5 dagen lang de wegen van Sarawak onveilig maken.
Hoewel niet zo mooi als Sabah, is ook Sarawak een schitterend stuk Borneo. WE hebben lang niet alles gezien hier, maar één ding wel: De irrawaddy-dolfijnen! Deze superzeldzame dolfijn soort komt op niet veel plekken in de wereld voor, maar wél in Sarawak. En we hebben ze gezien. ‘s Ochtends vroeg de boot in, 2 uur lang zonder iets te zien (nou ja, stuk of 4, 5 krokodillen daargelaten) over de riviermonding gezwalkt, hebben we toch geluk, 5 Irrawaddy’s, druk aan het jagen, presenteren zich aan ons. Wat een bijzondere dieren!! Je hoort ze snuiven als ze boven komen, en zie je de typerende, stompe snuiten van deze dieren. Gaaf om ze te zien.
De 8e nog een stopover bij Wil en Lia in Kuala Lumpur, ons thuis ver van huis, en op 9 december: next stop: Vientiane, Laos!! Yihaaaa!!!!!!
Noot van Joyce: (René is deze keer aan de schrijf geweest)
Iedereen weer bedankt voor alle gave reacties op de site! Onvoorstelbaar voor ons, de kou, de sneeuw en de kilometers lange files. Met name deze keer een dikke kus aan mijn oud collega’s!!!! Ik zie dat jullie ons volgen en af en toe wat schrijven, TOP!!!!! Groeten in Weert!!!! En vrienden, ook in den verre landen, gegroet terug!!!