In Ulan Bator staat de trein klaar voor een rit van ongeveer 1600 kilometer naar Beijing. De Chinese hoofdstad is het eindpunt van onze reis met de Transmongolië- express. Dit traject zal ons door de Gobi- woestijn leiden en als het mee zit een eerste blik op De Muur laten werpen.
Op het perron valt het ons op dat er veel meer toeristen zijn en de eerste Chinezen dienen zich aan, ze zijn inderdaad klein en praten géén chinees maar mandarijn.
In onze wagon zijn we de enige ’blanken“. Er heerst een totaal andere sfeer dan de eerste twee reizen in de trein, de chinezen zijn veel meer op zichzelf. Deuren van de coupes zijn gesloten en een gesprekje zit er al helemaal niet in. Bij ons in de coupe zit een lesbisch Mongools stelletje of misschien kan ik beter zeggen ligt. Tijd voor ons om mandarijn te leren en de komende weken uit te stippelen.
Als we Ulan Bator uit zijn rijden we de Gobi- woestijn in. De meest noordelijk gelegen woestijn ter wereld. Vanuit de trein zien we 10 uur lang niets anders dan kale en grauwe vlaktes. Soms stoppen we op troosteloze plekken, op een perronnetje ten midden van droge en onvruchtbare grond. Dit is dezelfde Gobi- woestijn waar we de afgelopen 8 dagen doorheen getrokken zijn, met als uitzondering dat we, al het moois deze woestijn te bieden heeft, gezien hebben.
De Gobi-woestijn
Het is alsof we ons in het wilde westen begeven. Al het uitgestrekte groen heeft plaats gemaakt voor uitgestrekte grauwe en dorre grond. Voor ons verraad een enorme stofwolk dat er leven in de woestijn is. Twee mannen op een moto-guzi zijn bezig om een kudde paarden naar het dorp te drijven. Aangezien de paarden met de hoofden aan elkaar gebonden zitten geeft dit wat moeilijke situaties. In het dorp aan gekomen vragen we ons voor de zoveelste keer af waarom hier in hemelsnaam mensen leven én hoe Toga dit nu weer gevonden heeft. Na iedere heuvel komt er weer zo’n zelfde heuvel, die heb je links, rechts, achter je en voor je… Als we hier rond dwalen verwonderen we ons over het feit dat er twee scholen zijn, perfect onderhouden en voorzien van een enorme speelplaats met toestellen voor de kleintjes, volleybal en basketbal velden voor deouderen. Er zijn wat winkeltjes en een ziekenhuis (alleen te herkennen aan het kleine rode kruis bij de voordeur). Het is een drukte van belang met kuddes paarden en mannen op moto- guzi 's. Als we verder lopen blijkt het dorp groter dan we dachten, voor de plaatselijke kroeg wordt een biertje gedronken, gepraat en gelachen (valt even stil als we voorbij komen…). Dit dorp is wel degelijk belangrijk. Hier wonen alle kinderen, vanuit de omgeving (lees; tot 3 dagen rijden) tijdens de schoolperiode. Mongoliërs vinden onderwijs héél belangrijk. Bijna iedere Mongoliër kan lezen en schrijven. En als er dan weer zo’n Mongool (inwoner van Mongolië) voorbij crost op zijn motor dan blijven we ons afvragen hoe ze de weg terug naar hun Ger vinden.
Als om 05.30 de wekker gaat springt iedereen uit bed. De zon komt zo op en wat is er mooier dan deze rode gloed te zien schitteren op de zandduinen recht voor ons. Toen we gisteren aan kwamen dacht ik eerst een fata morgana te zien (deze heb je toch in de woestijn?), ineens uit het niets, een strook mals groen gras, paarden en kamelen aan het grazen met op de achtergrond enorme witte zandduinen (Khongor Els). Tegen de avond als het minder warm is gaan we op onderzoek uit. Er blijkt een beekje te stromen, waar de locale kinderen dankbaar gebruik van maken. Nog leuker wordt het als René zich ermee gaat bemoeien!
Het is nu al warm! De zon begint zijn oranje gloed te verliezen en wordt langzaam aan geel. We zijn pas halverwege de duin en het wordt alleen nog maar steiler! Zittend op het zadel van de duin kunnen we geen woord uitbrengen, de tocht en het uitzicht benemen je letterlijk de adem.
In die dorre vlakte doemt er altijd wel weer iets indrukwekkends op, een enorme kloof met een uitgestrekt groen bergen landschap. Eén van de laatste leef gebieden van het sneeuwluipaard. Dit enorme groene natuurgebied (ik hoor je denken, sneeuwluipaard is wit, groen natuurgebied, klopt niet geheel) lees rustig verder, is ongeveer 7 maanden per jaar onder een dikke laag sneeuw bedekt en de kloof bijna 11 maanden per jaar onder een dikke laag ijs. Ik hoef niet uit te leggen welk maand niet.
Als je er eens goed over na denkt en om je heen kijkt dan zou ik hier inderdaad ook gaan wonen als ik een dinosaurus was, veel ruimte, maar dat is dan ook het enige dat ik kan bedenken. Als we het kleine museum (een Ger) in stappen liggen overal dinosaurus botten en hangen er foto’s van de plaats waar we nu zijn. De Engelsman Roy Andrews Chapman heeft hier in de jaren 20 binnen enkele weken duizenden dinosaurusbotten gevonden. Het gebied is geheel uitgegraven, de botten liggen in musea over de wereld en alles wat er achter is gebleven staat bekend als de Flaming Cliffs, een enorme partij rotsen, als de zon onder gaat kleuren ze nóg roder.
Als Zoda ons vertelt dat we naar een heel oud monniken klooster en een natuurlijke bron gaan begint iedereen al druk naar zijn zwembroek te zoeken. De hele dag in de VAN zitten we te fantaseren hoe lekker het zal zijn om te zwemmen, te wassen, af te koelen, schoon te voelen we kunnen niet wachten. Op de plaats van bestemming vraagt Chad nog of dat hij een lege waterfles mee moet nemen, zal vast lekker smaken, dat natuurlijke bronwater. Als we uitgestapt zijn vragen we ons af waarom er een groepje toeristen dáár op de berg en foto neemt, je kan beter wachten totdat je bij de bron ben, toch? Druk pratend lopen wij naar boven en zien niet dat Zoda en Toga zich bij de groep toeristen voegen. Boven op de berg aan gekomen kijken we eens rond en vragen ons af waar die bron nu is. Vanaf beneden roept Toga dat we naar beneden moeten komen, daar is de bron. Huh? Weer beneden heeft Toga een stok(je) in zijn hand met daaraan een omgebogen lepel, als we dichterbij komen zien we een klein gaatje in de rotsen… de bron!! De legende is dat je het water in je ogen moet sprenkelen, waarom? Heb geen idee, merk nog steeds geen verschil. Toga en Zoda komen werkelijk niet meer bij van het lachen, 1-0 voor de gids en de chauffeur! (wij ruimen de zwem spullen weer op).
Na deze 19 daagse onderbreking gaan we naar Beijing. Als we de felverlichte hangar in rijden weten we dat we bijna in China zijn, het onderstel van de trein moet vervangen worden. De rails in China is smaller dan in Mongolíë en Rusland. Hydraulische liften tillen de wagons met passagiers en al een paar meter de lucht in, de andere wielstellen worden eronder gereden en gemonteerd. Ondanks het geschud van voor naar achter, het geratel en de mini botsingen vallen we in slaap. Het eerste uizicht op de muur hebben we gemist, het slaapt zo lekker, dat lichte geschommel van de trein. Het begint tot ons door te dringen dat de Transmongolië- express er bijna opzit. We kunnen terug kijken op een bijzonder begin van de reis. De tijd tikt door tijdens het treinen maar wordt al snel onbelangrijk. Ochtend, middag, avond het maakt niet uit. Niets moet alles mag. Behalve de duizenden kilometers over het spoor reis je ook door de tijd, na Moskou gaat de klok nog 4 keer vooruit. Je raakt het tijdsbesef volledig kwijt. Het geeft een heel rustig en ontspannen gevoel. Je bent onderweg en al verroer je geen vin, leest 4 boeken uit of staart alleen maar naar buiten, ooit kom je op je bestemming aan.